"Beter een grote knecht dan een kleine baas."
Aldus m'n moeder. Ze bedoelde het als waarschuwing.
Aldus m’n moeder. Ze bedoelde het als waarschuwing. Blijf niet aanmodderen met je eigen zaakje. Zoek een fatsoenlijke baas, een goed salaris, een auto van de zaak en met kerst een pakket. Zekerheid. Dat wilde ze voor me.
En kijk waar ik ben beland. Kleine baas. Kleinste die er is. Eén man in een bedrijf van één man, ergens in Vietnam, achter een laptop.
Het gekke is: ze had gelijk en ongelijk tegelijk.
Gelijk, omdat een grote knecht ‘s avonds gewoon naar huis gaat. Die zet z’n laptop dicht en het is klaar. Als er iets kapot is, belt hij de helpdesk. Als er te weinig werk is, is dat het probleem van iemand anders. En als hij ziek is, wordt hij doorbetaald.
Ongelijk, omdat ze nooit heeft geweten hoe het voelt om je eigen baas te zijn. Niemand die zegt hoe laat je moet beginnen. Niemand die je vertelt dat je iets fout doet.
Maar er zit een addertje onder de gras dat m’n moeder nooit had voorzien.
Ik ben niet alleen de kleine baas. Ik ben ook m’n eigen knecht.
En die twee liggen constant met elkaar overhoop. De baas wil dat de knecht doorwerkt. De knecht wil om twaalf uur op de bank liggen. De baas belooft de knecht een bonus. De knecht gelooft er niks van, want hij kent de baas.
Vorige week heb ik mezelf een vrije dag gegeven.
De baas vond het niet goed. Maar de knecht was al weg.